Zegen en vloek

De kracht van de wet of de Genade in Jezus

In deze studie wordt met “wet” bedoeld het geheel van afspraken, regels en inzettingen zoals vastgelegd in de vier boeken Exodus, Leviticus, Numeri en Deuteronomium.

 

De titel van deze studie is de titel of pericoop die boven hoofdstuk 28 van Deuteronomium staat. Het is een korte samenvatting van de inhoud van dat hoofdstuk

De wet is een afsprakenset. Het Joodse volk kreeg deze aangeboden en heeft, voordat het onder leiding van Jozua het beloofde land introk, de afspraak gemaakt en aldus met God een verbond gesloten.

Aan het Joodse volk worden de gevolgen van gehoorzaamheid en ongehoorzaamheid aan God voorgehouden.

Het spreekt voor zich dat zegen hoort bij gehoorzaamheid en vloek bij ongehoorzaamheid. Het hoofdstuk geeft eigenlijk de kern van “de wet” weer: een mens draagt de gevolgen van zijn handelingen

Zegen en vloek werden daarmee van kracht.

 

Het hele vervolg van de geschiedenis van Israël is een getuigenis van de kracht en werkelijkheid van hetgeen in het verbond is vastgelegd.

 

In Exodus 34:6, 7 staat “De HEER ging voor hem langs en riep uit: ‘De HEER ! De HEER ! Een God die liefdevol is en genadig, geduldig, trouw en waarachtig,die duizenden geslachten zijn liefde bewijst, die schuld, misdaad en zonde vergeeft, maar niet alles ongestraft laat en voor de schuld van de ouders de kinderen en kleinkinderen laat boeten, en ook het derde geslacht en het vierde”

 

In deze tekst wordt de arm van de wet nog langer dan wat ik net heb omschreven als de kern van de wet.

Hier is het zó dat God kennelijk de kinderen, kleinkinderen, achterkleinkinderen en achter-achterkleinkinderen laat “opdraaien” voor de schuld van de ouders.

Vreselijk: hoe moet je onder daar onder vandaan komen, als het eenmaal mis is gegaan?

 

In Deuteronomium 5:10 zegt God vervolgens “…maar als ze mij liefhebben en doen wat ik gebied, bewijs ik hun mijn liefde tot in het duizendste geslacht.”

Het is goed beschouwd wel  verwarrend. In het gunstigste geval zou je nog kunnen zeggen: de balans van “straffen tot in het vierde geslacht” en “zegen tot in het duizendste geslacht is” valt positief uit.

Toch schuilt er een gevaar in deze manier van denken. Je zou kunnen zeggen dat je flink moet uitkijken voor je je tot God wendt. Een afspraak is zo gemaakt, en je zit er daarna mooi mee opgezadeld: maak je een fout, dan zitten je kinderen (en verder) met de gebakken peren!

 

Dat is niet waar! De Joden hadden op een bepaald moment een gezegde dat als volgt ging:  “De vaders hebben onrijpe druiven gegeten, en de tanden der kinderen zijn slee geworden”

 

In Ezechiël 18:1-23  geeft God op niet mis te verstane wijze aan hoe Hij over deze zaak denkt.

Het woord des HEREN kwam tot mij:Hoe komt gij er toch toe, dit spreekwoord te gebruiken in het land Israels: de vaders hebben onrijpe druiven gegeten en de tanden der kinderen zijn slee geworden?

Zo waar Ik leef, luidt het woord van de Here HERE, gij zult dit spreekwoord in Israel niet meer gebruiken. Zie, alle zielen zijn van Mij, zowel de ziel van de vader als die van de zoon zijn van Mij; de ziel die zondigt, die zal sterven.

Wanneer nu iemand rechtvaardig is en naar recht en gerechtigheid handelt,… … hij zal voorzeker leven, luidt het woord van de Here HERE.

Maar verwekt hij een zoon, die een rover is, een bloedvergieter, en die, helaas, een dezer dingen doet (hoewel hijzelf er geen van deed) … … Zou zo iemand leven? Hij zal niet leven. Al deze gruwelen heeft hij gedaan; hij zal voorzeker ter dood gebracht worden. Zijn bloedschuld rust op hemzelf…

Een zoon zal niet mede de ongerechtigheid van de vader dragen, en een vader zal niet mede de ongerechtigheid van de zoon dragen. De gerechtigheid van de rechtvaardige zal alleen rusten op hemzelf en de goddeloosheid van de goddeloze zal alleen rusten op hemzelf.

Maar wanneer de goddeloze zich bekeert van alle zonden die hij begaan heeft, al mijn inzettingen onderhoudt en naar recht en gerechtigheid handelt, dan zal hij voorzeker leven; hij zal niet sterven.

Geen van de overtredingen die hij begaan heeft, zal hem worden toegerekend; om de gerechtigheid die hij betracht heeft, zal hij leven.

Zou Ik een welgevallen hebben aan de dood van de goddeloze? luidt het woord van de Here HERE. Niet veeleer hieraan, dat hij zich bekere van zijn wegen en leve?

(let op: op de plaatsen waar in het bovenstaande citaat puntjes staan … …, daar heb ik vanwege de lengte stukken  weggelaten)

Hoewel dus het verbond ervan spreekt dat zonden bezocht worden aan kinderen en kindskinderen, geeft de Heer uitdrukkelijk aan dat iemands eigen daden tot consequenties voor hemzelf leiden. Hij spreekt via de zin “Gij zult dit spreekwoord in Israël niet meer gebruiken” uit dat de verlammende redenering over hoe Gods oordeel werkt onjuist is, en dat Hij daar een einde aan wil maken.

In de laatste zin wordt overigens de opening naar grote genade getoond, die in hoofdstuk 33 van Ezechiël nader wordt uitgewerkt. De kerntekst daarvan is:  Ez. 33:18-19 Wanneer een rechtvaardige zich van zijn rechtvaardige wandel afkeert en onrecht doet, dan zal hij daardoor sterven. Doch wanneer een goddeloze zich van zijn goddeloosheid bekeert en naar recht en gerechtigheid handelt, dan zal hij daarom leven.

Als je deze tekst serieus leest, dan kun je niet anders dan de conclusie trekken, dat God een zondaar die zich bekeert vergééft, en dus op de één of andere manier voorbij kan zien aan de zonden die iemand gedaan heeft.

Nu kan het zijn dat Gods genade ook al “onder de wet” dus ten tijde van het oude testament groter was dan de wet op zichzelf zou doen vermoeden, feit blijft dat de wet op zichzelf van kracht blijft.

De ondeelbaarheid van de wet.

In de brief aan de Romeinen staat in hoofdstuk 3:12  allen zijn afgeweken, tezamen zijn zij onnut geworden; er is niemand, die doet wat goed is, zelfs niet een. En in vers 22  want allen hebben gezondigd en derven de heerlijkheid Gods.

Om te begrijpen hoe dat in elkaar zit, hoe het kan dat “allen zijn afgeweken” heeft het mij heel erg geholpen toen een spreker het vergeleek met een bal of een ballon. Een ballon heeft maar één enkel gaatje nodig om als ballon volstrekt nutteloos te worden.

De wet is eigenlijk net zo. Als je de wet niet houdt, dan heb je de wet gebroken.

De ondeelbaarheid van de wet is voor een goed begrip van wat ik verderop uit wil leggen van groot belang. Om een heel banaal voorbeeld te geven: je schiet er als mens in de relatie met God niets mee op als je de hele wet houdt, op één ding na: stelen, of alleen overspel, of alleen moord, dat doe je wel.

Wie de wet niet houdt, die is vervloekt. De vervloekte zal sterven: het loon van de zonde is immers de dood.

Wat ik tot nu toe beschreven heb, is de nare situatie waarin de mensheid zich bevond na de zondeval van Adam. Door zonde gescheiden van God. God die de zonde niet ongestraft kan laten. De Joden hadden het voordeel dat ze kennis konden hebben van wat God vroeg, maar wat God vroeg was een te hoge eis: niemand was in staat eraan te voldoen. Er was eigenlijk geen “bevredigende” uitweg.

Door genade worden wij onder de wet vandaan gehaald

Dat is: totdat Jezus kwam en door zijn plaatsvervangend offer vrede bracht tussen God en de mens. De eis van de wet is:  op zonde volgt straf, en verzoening vindt plaats door bloed.

Jezus was geheel zonder zonde, en is door zijn dood aan het kruis tot een vloek geworden:  een gehangene (aan een paal) is door God vervloekt (zie Deuteronomium 21:23)

Door Gods genade mogen wij ervaren dat Jezus offer voor óns was. Hijzelf had geen zonde, maar hij de straf voor ons gedragen.

Door het geloof, zo leert het nieuwe testament, of liever het nieuwe verbond, mogen wij met Jezus sterven  voor de zonde en voor de wet, en opstaan in nieuwheid des levens. Door het persoonlijk geloof dat Jezus voor jouw/uw zonden aan het kruis gestorven is.

De bijbel leert dat wij –aldus voor de zonde en de wet gestorven- niet meer onder de wet vallen. De wet was maar tijdelijk (Galaten 3:24-25). Als dat waar is, dan geldt alles wat in de wet staat niet meer, áls en zoláng is ik leef in het nieuwe verbond.

Als iemand tegen een christen zegt: er is een zonde/band uit jouw voorgeslacht die verbroken moet worden, dan is dat een misvatting van het werk van de Here Jezus. Immers: de vloek is een gevolg van de wet. Wie door in Jezus te geloven, dood is geworden voor de wet, is niet meer gevoelig voor zegen of vloek uit de wet.

Dat is iets om eens diep over na te denken.  Het is niet alleen een misvatting, het is een ontkrachting!

Er wordt vaak geleerd: als ik veel geef, dan zal ik veel ontvangen. Dat is als wet natuurlijk waar. En als ik me erop beroep, dan is ook ontegenzeggelijk de kracht van de wet groot.

Paulus leert ons echter, dat we ons niet op die wet moeten beroepen. We moeten ons beroepen op het offer van de Heer, en ons leven als offer ter beschikking te stellen. Zodra je je op de wet beroept en de wet maakt tot het fundament van je leven, dan zul je je ook aan de eisen van de wet moeten houden. Doe je dat, terwijl je weet van het offer van de Here Jezus, dan leg je eigenlijk Zijn werk willens en wetens terzijde om terug te keren tot het oude verbond of, en dat is in de Christelijk-kerkelijke wereld heel gebruikelijk, een variant op het oude verbond, halfslachtig gemengd met wat “nieuw verbond”.

Verbroken banden

Er wordt vaak geleerd:  als er in je voorgeslacht zonde is geweest, dan moeten die zonden beleden worden, en dan moeten de banden verbroken worden.

Ga je in deze redenering mee, dan lijk je op korte termijn iets te winnen. Maar eigenlijk verlies je, want je plaatst je, terwijl dat door het offer van de Here Jezus niet meer hoeft, toch weer onder de wet.

Hoe verlies je dan? Het wezen van de wet is: de mens die rechtvaardig doet, zal leven. Als je onder de wet komt, dan wordt je geprikkeld om “prestatie” te leveren voor God, zodat je acceptabel wordt. Het offer van de Here Jezus is echter precies het tegenovergestelde: je accepteert, dat je zelf niet in staat bent om acceptabel voor God te worden. Door onder de wet te leven en je “heil” daarin te zoeken neem je ongemerkt afstand van de genade die in Jezus is. Het probleem is natuurlijk dat het voor ons o zo gemakkelijk en prettig is om houvast te vinden in dingen die makkelijker te hanteren zijn dan de genade van God.

Door je vast te houden aan de wet, verlies je per definitie genade.

Is de wet dan niet waar? Is er dan geen vloek? Is er dan geen zegen? Wel degelijk. Het is alleen de vraag of wij ons daardoor moeten laten leiden. Mag ik  twee voorbeelden geven?

De wet of iets hogers?

In Maleachi wordt ons voorgehouden dat Gods volk de Here mag beproeven: als zij getrouw de de tiende aan de Here geven, zou de Here dan niet overvloedige zegen geven?

Deze tekst wordt vaak gebruikt om de kerk tot offervaardigheid te bewegen: zegen wordt in het vooruitzicht gesteld bij juist gedrag.

Als we nu kijken naar het leven van de Here Jezus, dan zien we dat Hij in het geheel niet gericht was op het verkrijgen van deze zegen van materiele rijkdom. Integendeel: de Here leert ons dat we niet bezorgd moeten zijn, omdat God weet wat we nodig hebben en voor ons zorgt.

De wet is dus wel degelijk waar, maar we hebben een andere norm. We leven naar een geestelijke norm.

Een ander voorbeeld:

Tijdens het leven van Jezus was er een blindgeborene. De discipelen van Jezus vroegen: wie heeft er gezondigd? De blindgeborene of zijn ouders.

Jezus antwoordde dat het erom ging dat God verheerlijkt zou gaan worden.

Dit zijn twee voorbeelden waarbij duidelijk wordt, dat de norm van de wet in het leven van de Here Jezus geen rol speelde, maar dat Hij een heel andere norm had. De norm van het Koninkrijk der hemelen.

Als we dit aspect terugzoeken in de brieven van het nieuwe testament, dan is de Galatenbrief een goed uitgangspunt.

In deze brief zegt Paulus dat de mensheid, vóórdat Jezus was gekomen, door de wet met God een relatie konden hebben die leek op slavendom (slaven van de zonde). Wij waren voor God als slaven en geen erfgenamen (van het koninkrijk). De komst van de Here Jezus veranderde dit grondig.

Galaten 4:4-9 “Maar toen de volheid des tijds gekomen was, heeft God zijn Zoon uitgezonden, geboren uit een vrouw, geboren onder de wet, om hen, die onder de wet waren, vrij te kopen, opdat wij het recht van zonen zouden verkrijgen. En, dat gij zonen zijt, God heeft de Geest zijns Zoons uitgezonden in onze harten, die roept: Abba, Vader. Gij zijt dus niet meer slaaf, doch zoon; indien gij zoon zijt, dan zijt gij ook erfgenaam door God. Maar in de tijd, dat gij God niet kendet, hebt gij goden gediend, die het in wezen niet zijn. Nu gij echter God hebt leren kennen, ja, meer nog, door God gekend zijt, hoe kunt gij thans terugkeren tot die zwakke en armelijke wereldgeesten, waaraan gij u weder van meet aan dienstbaar wilt maken?”

Uit deze tekst blijkt dat wij door Jezus zijn losgekocht vanonder het juk van de wet.

Galaten 5:1-6 “Opdat wij waarlijk vrij zouden zijn, heeft Christus ons vrijgemaakt. Houdt dus stand en laat u niet weder een slavenjuk opleggen. Zie, ik, Paulus, zeg u: indien gij u laat besnijden, zal Christus u geen nut doen. Nogmaals betuig ik aan ieder, die zich laat besnijden, dat hij verplicht is de gehele wet na te komen. Gij zijt los van Christus, als gij door de wet gerechtigheid verwacht; buiten de genade staat gij. Wij immers verwachten door de Geest uit het geloof de gerechtigheid, waarop wij hopen. Want in Christus Jezus vermag noch besnijdenis iets, noch onbesneden zijn, maar geloof, door liefde werkende”

De besnijdenis is het teken van het oude verbond. Als u dit leest zult u in eerste instantie zeggen:  dit gaat dus niet over mij, want ik laat mij niet besnijden. Toch denk ik dat je deze tekst iets ruimer mag opvatten, omdat er een principe mee aangeduid wordt. De wet, de besnijdenis is de wereld van: ik doe iets, en dan is dat het gevolg. Ten diepste is dat natuurlijk dat je door goed te handelen gerechtvaardigd wordt.  Terwijl het geloof: in God Jezus’ offer als onze rechtvaardiging hebben.

Als we waarschuwing van Paulus dus breder zien, betrokken op de twee principes die er bestaan, geloof en genade  tegenover werken en wet, dan moeten we oppassen dat we niet opnieuw onder het juk van de wet komen, want daarmee raken we verwijderd van Christus. En dat is werkelijk het laatste wat we willen.

Vrijgekocht door de Heer

Hoe zit het dan met de banden uit het voorgeslacht? Het zijn banden die een gevolg zijn van de wet. Als ik doordat ik gestorven ben in Jezus niet meer onder de wet val, mag ik dát in het geloof uitspreken. Ik zoek beschutting in Jezus, en daar zijn beslist geen banden!

Gal 3:13  Christus heeft ons vrijgekocht van de vloek der wet door voor ons een vloek te worden; want er staat geschreven: Vervloekt is een ieder, die aan het hout hangt.

Met stelligheid zou ik willen zeggen: als iemand die in Christus wedergeboren is, zich laat “bevrijden” van banden uit het voorgeslacht, dan negeert hij wat Jezus reeds voor hem gedaan heeft.

Als iemand niet in Christus is, dan heeft het verbreken van de banden geen zin, want wie niet in Christus is, valt wél onder de wet! Zodra zo’n persoon zijn heil zoekt in Christus, ís de vloek van de  wet verbroken! Hierbij moet wél opgemerkt worden dat de “verkondiging-fase” een uitzondering kan vormen op de algemene regel:  iemand kan door God met wonderen (ook van bevrijding) geconfronteerd worden, ook als hij of zij Christus (nog) niet kent of aangenomen heeft.

De Heer zelf deed tijdens zijn bediening op aarde vele wonderen, en in die tijd was het offer de Here Jezus aan het kruis, dat de basis vormt van het “in Christus zijn”, nog niet gebracht. Daarbij gaat het dan om dingen die plaatsvinden in het kader van de zendingsopdracht: uit Markus 16:16-18  En Hij zeide tot hen: Gaat heen in de gehele wereld, verkondigt het evangelie aan de ganse schepping.Wie gelooft en zich laat dopen, zal behouden worden, maar wie niet gelooft, zal veroordeeld worden. Als tekenen zullen deze dingen de gelovigen volgen: in mijn naam zullen zij boze geesten uitdrijven, in nieuwe tongen zullen zij spreken, slangen zullen zij opnemen, en zelfs indien zij iets dodelijks drinken, zal het hun geen schade doen; op zieken zullen zij de handen leggen en zij zullen genezen worden.

Ga je toch door met het praktiseren van deze onnodige bevrijdingen, dan zeg je eigenlijk tegen mensen: de kracht van de vloek  van de wet is op jouw leven nog van invloed. Het offer van Jezus was niet voldoende…

Bij dit alles is het goed om te bekenken dat de wet vervuld wordt in Jezus. Naarmate wij verder groeien en gelijkvormig worden aan het beeld van Jezus, zal ons handelen als gevolg van het werk van de Heilige Geest in ons, steeds meer in overeenstemming blijken te zijn met de wet. Zoals Jacobus schrijft: Geloof heeft (goede)  werken tot gevolg.

In deze zin is het dat we lering mogen trekken uit de inhoud van de wet. Zo schrijft ook Paulus in Galaten 5:1-3  Kinderen, weest uw ouders gehoorzaam in de Here, want dat is recht. Eer uw vader en uw moeder (dit is immers het eerste gebod, met een belofte) opdat het u welga en gij lang leeft op aarde. een rechtstreekse verwijzing naar de wet met de oproep aan kinderen om daarnaar te leven.

De wet is voor ons als Christenen een machtig leerstuk.

Het werkelijke doel van ons leven is echter niet het houden van de wet, maar Leven in Christus. Daarbij is het goed om ons telkens te realiseren dat ons fundament niet in de wet ligt, maar in Christus!

Geplaatst in Studies.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *